Deze website maakt gebruik van cookies. We gebruiken cookies om instellingen te onthouden en je bezoek soepeler te laten verlopen. Daarnaast gebruiken we ook cookies voor de verbetering van de website en het verzamelen en analyseren van statistieken. Lees meer over cookies

Ewing-sarcoom

Een Ewing-sarcoom is de tweede meest voorkomende kwaadaardige bottumor bij kinderen en jong volwassenen. Deze vorm van kanker werd in 1921 voor het eerst beschreven door James Ewing. Het Ewing-sarcoom kan ook voorkomen in de zogenaamde weke delen (spieren en bindweefsel). Deze bottumor komt per jaar bij 1,5 per 1 miljoen kinderen onder de 18 jaar voor. Dit betekent dat er in Nederland jaarlijks 3-5 keer een Ewing-sarcoom bij een kind ontdekt wordt. Deze bottumor komt voor bij kinderen en volwassenen tussen de leeftijden 5 en 30 jaar met een piek in de leeftijd van 10 en 15 jaar. En vaker bij jongens dan bij meisjes (ratio 1,5:1). De tumor komt even vaak voor in de armen en benen als de botten van de romp.
Klachten bij deze ziekte

De belangrijkste klachten zijn pijn en zwelling van het aangedane bot met bewegingsbeperking. Daarnaast kan er een botbreuk ontstaan wegens de aantasting van de stevigheid van het bot. Pijn en eventuele zenuwschade kunnen optreden bij ingroei in zenuwweefsel. Bij 15 – 35% van de kinderen worden bij diagnose uitzaaiingen gevonden, voornamelijk in de longen, andere botten en beenmerg.

Hoe stellen we de diagnose?

Een definitieve diagnose kan alleen worden gesteld na onderzoek van het tumorweefsel. Hiervoor wordt door middel van een biopsie een klein beetje weefsel weggenomen. Daarnaast maken we een botfoto en MRI-scan van de plek waar de tumor zich bevindt. Een CT-scan van de longen laat zien of hier uitzaaiingen zijn, een botscan en een beenmergpunctie zijn nodig om te beoordelen of er uitzaaiingen in de botten of het beenmerg aanwezig zijn.

Behandeling van Ewing-sarcoom

De behandeling van een Ewing-sarcoom bestaat uit een combinatie van chemotherapie, waarna een operatie of bestraling (radiotherapie) volgt. Hiernva volgt vaak een nabehandeling met chemotherapie plaats. Bij enkele kinderen volgt een therapie met een hoge dosis chemotherapie en een stamceltransplantatie met stamcellen van het kind zelf. Soms is een amputatie van het aangedane ledemaat (arm of been) nodig (zie ook osteosarcoom). Als een operatie niet nodig is vormt, naast de chemotherapie, de bestraling een zeer belangrijk onderdeel van de behandeling.